Over blijvers, weglopers en nieuwkomers

De ene sportvereniging is de andere niet. En waar iemand zich thuis voelt, is van vele factoren afhankelijk. Hoogleraar bestuurs- en organisatiewetenschap Maarten van Bottenburg onderzoekt de invloed van diversiteit op het lidmaatschap van sportverenigingen.

De theorie is dat mensen binnen verenigingen vooral op zoek zijn naar mensen met een soortgelijke achtergrond. ‘Dan hebben we het niet alleen over culturele achtergrond,’ zegt Van Bottenburg. ‘Ook overeenkomsten in inkomen, geslacht en opleiding zijn factoren die maken dat mensen zich bij elkaar thuis voelen.’

Het onderzoek van het team van Van Bottenburg laat zien dat de afgelopen jaren de sportclubs diverser van samenstelling zijn geworden maar dat dat ook leidt tot meer uitstroom. Over hoe dat precies werkt, wil en kan hij nog niet teveel zeggen: ‘We zijn nog volop bezig met het onderzoek.’

Uniek is dat de onderzoekers de databestanden van 1,2 miljoen KNVB-leden, inclusief het verloop in de afgelopen tien jaar, koppelen aan het sociaal statistisch bestand van het CBS. Daarmee kan de samenstelling van sportclubs exact worden beschreven. Uiteraard niet op individueel niveau; daar zijn alle bestanden goed tegen beveiligd.

Niet verrassend: sportclubs verschillen van elkaar. Er zijn clubs met een grote diversiteit aan leden, andere clubs hebben twee grote ‘kampen’ en soms is er één dominante groep met allerlei splintergroepjes. ‘Meestal hebben verenigingen een tendens naar eenvormigheid,’ zegt Van Bottenburg. ‘Mensen die op elkaar lijken, zoeken elkaar op. Anderen vertrekken. Dat leidt tot homogeniteit. De dynamiek wordt boeiend als bijvoorbeeld de wijk om de club heen heterogener wordt, waardoor de instroom van nieuwe leden juist weer diverser is.’

Uiteindelijk willen de onderzoekers ook laten zien op welke manieren verenigingen hun ledenaantallen kunnen behouden. Daartoe werkt de Universiteit Utrecht samen met de Hogeschool Utrecht die meer praktijkgericht onderzoek doet. Van Bottenburg: ‘Je ziet overal nieuwe vormen van ledenbinding naast het klassieke model van een jaarlidmaatschap. Niet alleen de duur en de aard van lidmaatschappen veranderen, maar ook de producten en diensten die verenigingen aanbieden.’

Er zitten volgens Van Bottenburg ook andere maatschappelijk aspecten aan dit onderzoek. De vraag of je moet streven naar meer homogene of juist heterogene verenigingen kent vele, ook ideologische, kanten. En de problemen van sportclubs staan niet op zich. Is het überhaupt nog van deze tijd om je als groep mensen te verenigen? Wat betekent dit voor het maatschappelijk middenveld, voor de civil society? We zullen nog even moeten afwachten om te zien of Van Bottenburg en zijn collega’s ook daar straks antwoorden op hebben.