Stay fit ondanks beperking

Fit in een rolstoel

Sporten is voor veel kinderen met een chronische ziekte of beperking lastig. Hun aandoening maakt sporten moeilijk of er zijn weinig mogelijkheden voor aangepaste sportbeoefening. Toch blijkt sport ook voor deze groep heel belangrijk te zijn.

Een project onder leiding van Tim Takken van het UMCU onderzocht wat de voor- en nadelen zijn van sporten voor deze kinderen. Daartoe werd in eerste instantie gekeken naar de gezondheidstoestand van kinderen met een beperking of chronische ziekte die veel of juist weinig sporten. Niet verrassend: kinderen met een beperking die veel sporten scoren hoog op fitheid. Vaak nog hoger dan een gemiddeld ‘gezond’ kind zonder beperking. Maar net als bij kinderen zonder beperking of ziekte is die fitheid erg laag als de kinderen niet sporten. Takken: ‘Dat betekent een grotere buikomvang en minder gezonde bloedvaten met alle risico’s van dien.’

Sport 2 Stay Fit
Maar lukt het ook om deze kinderen meer te laten bewegen? En zijn ze dan niet heel blessuregevoelig? Dat werd onderzocht met een Sport 2 Stay Fit interventie. Acht weken lang kreeg een groep kinderen met een beperking of chronische ziekte na schooltijd een intensieve sporttraining. Daarna volgde de helft van hen een half jaar lang een iets minder intensief programma en de andere helft niet. De bedoeling is om te kijken of er verschillen ontstaan tussen beide groepen. Houden ze de verkregen fitheidswinst vast? Zijn er blessures ontstaan?

Rolstoel belemmerend
Uit de eerste analyses blijkt dat de eerste achtweekse training goed werkte. Met name nam het sprintvermogen toe. De vooruitgang was overigens minder sterk bij kinderen die in een rolstoel zitten. Volgens Takken omdat het lastiger is om deze kinderen maximaal te belasten. ‘Je kunt immers niet het hele lichaam trainen.’ Of er verschillen zijn tussen de twee groepen na de vervolgtraining kan Takken nog niet zeggen. Dat moet nog blijken uit vervolganalyses.

Kennis voor eindgebruikers
Het onderzoek is van belang voor scholen voor speciaal onderwijs en allerlei sportclubs die iets willen doen met aangepast sporten. Takken vertelt dat de onderzoekers ‘van scratch af aan’ samenwerken met allerlei organisaties die iets doen met sport voor kinderen met een beperking zoals de Stichting Fitkids, Onbeperkt Sportief, Gehandicaptensport Nederland en sportbonden. En ook met kinderen met een beperking en hun ouders want het is belangrijk om hen te laten ervaren dat sporten en bewegen leuk is en veilig kan – ook met een beperking of een chronische aandoening. Takken: ‘Voor de implementatie gebruiken we de KTS-methode, Kennistransfer Sportgeneeskunde, om te kijken hoe we onze kennis het beste kunnen overdragen aan eindgebruikers. Met zo’n methode dicht je het gat tussen onderzoek en praktijk.’