Bewegen doen we meestal thuis en op het werk

Hardlopers in een park

Met een GPS-logger en een beweegmeter om hun middel lieten proefpersonen in Rotterdam, Maastricht en Utrecht opmeten hoeveel ze waar bewegen. Doel was om te kijken in hoeverre de inrichting van de openbare ruimte van invloed is op het beweeggedrag. Eén van de conclusies is dat we het meeste in en om het huis en op het werk bewegen.

‘Ja, dat is bijzonder’, vertelt Dr. Ir. Dick Ettema van de Universiteit Utrecht. ‘Maar het geeft de gemeenten  en andere beleidsmakers die nauw betrokken zijn bij ons onderzoek wel stof tot nadenken. Misschien moeten we onze aandacht wel meer naar de werkplek verschuiven.’

Grote parken
Het onderzoek betreft mensen in de leeftijd van 45 tot 65 jaar, zeg maar de ouderen van de toekomst. ‘Opvallend is dat deze mensen best veel bewegen. Maar het kan ook zijn dat de mensen die mee wilden doen aan ons onderzoek, juist mensen zijn die toch al veel bewegen’, aldus Ettema. ‘Natuurlijk wordt er ook veel in de openbare ruimte bewogen. Vooral grote parken zijn favoriet. Je kunt dus beter één groot park hebben dan een paar kleintjes.’ En er bleken duidelijke verschillen tussen groepen mensen. Zo bewegen laagopgeleiden meer op het werk dan hoogopgeleiden.

Gezamenlijke zoektocht
De onderzoekers hadden gehoopt gedetailleerd in kaart te kunnen brengen hoe de openbare ruimte gebruikt wordt. Wordt er vooral veel op brede paden gelopen, helpen bankjes? Het blijkt echter lastig die precieze informatie uit alle data te halen. ‘We hebben enorm veel gegevens verzameld. Met de gemeenten en allerlei deskundigen kijken we nu hoe we daar beleidsrelevante analyses mee uit kunnen voeren. Dat is een spannende gezamenlijke zoektocht. We hebben een nieuwe manier van onderzoek gedaan en dat heeft diepgaand inzicht gegeven in het beweeggedrag van mensen. Nu moeten we dat analyseren en gezamenlijk met beleidsmakers in aanbevelingen vertalen.’

Smartphone
Wil je echt aanbevelingen kunnen doen voor stedenbouwkundige ontwerpen, dan denkt Ettema dat je deze onderzoeksgegevens moet combineren met observationeel onderzoek ter plaatse. ‘Of we zouden mensen via een app op hun smartphone kunnen vragen wat ze op dat moment aan het doen zijn. We zien waar ze zijn en hoeveel inspanning ze leveren, maar we weten niet of ze fietsen of hardlopen. En we zouden met zo’n app kunnen navragen wat mensen precies thuis of op het werk doen als ze bewegen.’